|
Een dialoog waarin op luchtige wijze een aantal zaken aan de
orde komen die in de volgende hoofdstukken echt van belang zullen
blijken.
naar boven
Niets menselijks is de natuurkundige vreemd.
Wijnand en Nathan kennen elkaar van hun studententijd,
toen Wijnand filosofie studeerde en Nathan fysica. Wijnand is religieus
opgevoed en gelooft in God, maar Nathan heeft al op zijn zeventiende
jaar het geloof aan de kant gezet en is verklaard agnosticus. Tijdens
hun studie woonden ze in het zelfde studentenhuis en ze hadden daar
regelmatig heftige discussies tot diep in de nacht. Nadat ze afgestudeerd
waren zijn ze elkaar uit het oog verloren, maar nu, twintig jaar
later, ontmoeten ze elkaar toevallig in een conferentiecentrum waar
ze verschillende conferenties bezoeken. Na de lunch, gedurende welke
ze elkaar hebben bijgepraat over hun persoonlijke reilen en zeilen
sinds hun studententijd, besluiten ze hun conferenties voor die
middag aan hun lot over te laten en ze wandelen samen genoeglijk
pratend het pad af langs de rivier waaraan het conferentiecentrum
ligt.
Nathan: Ben je nog steeds gelovig ondanks al mijn
pogingen om je het licht van de rationaliteit te doen zien?
Wijnand: Geloof jij nog steeds in de ratio en niets
dan de ratio, ondanks alle waanzin en willekeur?
N.: Ach, een mens wordt ouder en misschien ook
wel wijzer, en je ontdekt dat er ook nog een leven naast de natuurkunde
is. Ik moet zeggen dat ik me nu wat breder oriënteer dan toen.
Daarom probeer ik me nu ook wat meer op de hoogte te stellen van
ontwikkelingen die buiten mijn strikte vakgebied vallen.
W.: Ja, waar gaat die conferentie van jou eigenlijk
over?
N.: Over het antropisch principe. Ik weet niet
of je daar wel eens van gehoord hebt.
W.: Ja, ik geloof het wel. Had dat niet iets te
maken met de natuurconstanten, en dat die heel toevallig precies
die waarden hadden die het mogelijk maken dat er leven heeft kunnen
ontstaan? Ik heb daar ooit eens een boek over gelezen, Leslies "Universes",
ken je dat?
N.: Nee, maar dan weet je dat men nu veronderstelt
dat het feit dat wij bestaan één groot toeval is.
Met een uiterst minieme verandering in bijvoorbeeld de grootte van
de zwaartekracht of van de elektromagnetische kracht zou er niet
alleen geen leven zijn geweest, maar ook geen zonnestelsels, geen
sterren, geen planeten. Er was maar heel weinig voor nodig geweest
om het heelal na de Big Bang meteen weer in elkaar te laten klappen
of het zo snel te laten exploderen dat die sterren en planeten zich
nooit hadden kunnen vormen.
W.: Ja, dat is nou weer typisch iets voor fysici.
Het is evident dat er leven is, dat er intelligentie is. En dat
is niet zomaar bij toeval ontstaan, maar het is een product van
een evolutie die hier op aarde al op gang kwam anderhalf miljard
jaar nadat die aarde was ontstaan. Ondanks de barre omstandigheden
die er toen hier heersten heeft het leven zich ontwikkeld en het
heeft geleidelijk maar onontkoombaar de hele aarde overgenomen.
Maar jullie fysici maken wat rekensommetjes en beweren dan dat dat
allemaal maar puur toeval is.
N.: Je doet het voorkomen of ons bestaan als mensen
onvermijdelijk is, of er mysterieuze krachten aan het werk zijn
die er enkel en uitsluitend op gericht zijn om intelligentie te
laten ontstaan. Maar wij zijn de laatsten die kunnen beoordelen
of wij het doel van de schepping zijn. Wij plaatsen onszelf onwillekeurig
in het middelpunt. We bekijken de wereld puur vanuit ons eigen gezichtspunt.
Als we zouden willen nagaan in hoeverre de wereld om ons draait
dan zouden we buiten onszelf moeten treden.
W.: We moeten kijken met de ogen van een niet-betrokken
buitenstaander. Dat is toch min of meer het standpunt dat de fysicus
probeert in te nemen?
N.: Ach, een fysicus is ook maar een mens. En een
mens kan niet echt buiten zichzelf treden. De Griekse filosoof Protagoras
zei het al: "De mens is de maat van alle dingen". Waarnemen
doen we vanuit onze eigen, speciale positie. En ons handelen gaat
steeds uit van onszelf, wij bepalen de doelen, wij ondernemen de
actie. Voor ons staat niet de toestand van de wereld maar de menselijke
autonomie voorop.
W.: Toch is de wetenschap er in de loop der tijden
in geslaagd om onze eigen positie steeds meer te relativeren. Copernicus
heeft ons geleerd dat de aarde niet het centrum vormt van het heelal,
Darwin heeft ons laten zien dat de mens een diersoort is en uit
andere diersoorten is voortgekomen, Freud heeft ons duidelijk gemaakt
dat ons handelen maar zeer ten dele op rationele overwegingen is
gebaseerd. En nu moeten we kennelijk op fysische gronden concluderen
dat ons bestaan, dat het bestaan van leven als zodanig, maar toeval
is.
N.: Maar wie concludeert dat? Dat doen we dan toch
wel zelf. Wij, mensen, vellen een oordeel over de wereld en over
onszelf. Wij, mensen, beschouwen ons eigen bestaan, het leven, het
heelal, en trekken onze eigen conclusies.
W.: En die conclusies zijn dat wij mensen maar
een randverschijnsel zijn in het heelal. Kennelijk zijn we niet
helemaal vrij in onze conclusies, anders hadden we toch zeker onszelf
tot goden verheven in het diepst van onze gedachten? We zullen ons
toch aan de beperkingen van de werkelijkheid moeten onderwerpen.
We kunnen niet om de wetenschappelijke feiten heen.
N.: Dat is nu juist iets waar ik al een tijd mee
worstel: die pretentie van veel fysici, als zouden ze objectief
kunnen vaststellen hoe die werkelijkheid in elkaar zit. Alsof die
menselijke maat een absolute maat zou zijn, alsof ze een goddelijk
standpunt kunnen innemen en van grote hoogte op de wereld zouden
kunnen neerkijken. Wat wij feitelijk doen is een beetje spelen met
de werkelijkheid en bij wat we daar tegenkomen voor onszelf een
verhaal bedenken.
W.: Jij bent wel veranderd sinds je studietijd.
Hoewel je het nooit zo hebt gezegd had ik de indruk dat je toen
geloofde dat de fysici uiteindelijk niet alleen de wetten van de
dode materie zouden doorgronden, maar dat ze met behulp van de natuurkunde
tenslotte ook alle maatschappelijke problemen zouden kunnen oplossen.
N.: Ja, dat was in de tijd van de rapporten van
de club van Rome. De tijd van de wereldmodellen. We dachten dat
we alles zouden kunnen voorspellen. Maar de praktijk heeft anders
uitgewezen. Daarna heb ik me een tijd met de studie van chaotische
verschijnselen bezig gehouden, met de chaostheorie, en daardoor
heb ik ingezien dat er veel verschijnselen zijn waar we met fysische
methoden nauwelijks vat op kunnen krijgen.
W.: Ik zou zeggen dat juist dat inzicht aangeeft
dat jij als mens je eigen vooringenomenheid kunt ontstijgen. Mensen
kunnen inzien dat de wereld niet om hen draait. De werkelijkheid
is voor ons toch ook iets buiten onszelf. En het feit dat wij, als
we willen, die werkelijkheid als het ware van buitenaf kunnen bekijken
geeft al aan dat wij in een unieke positie hebben in het geheel
der dingen. Ik ben ervan overtuigd dat het onze opdracht is om de
werkelijkheid te doorgronden en dat het onze taak is om er op toe
te zien dat er niet op de een of andere manier afbreuk wordt gedaan
aan het natuurlijk verloop der dingen.
N.: Jij bent in ieder geval nog niet erg veranderd.
Je gelooft nog steeds in een goddelijke opdracht en een speciale
rol voor de mensheid.
W.: Eerlijk gezegd ben ik er nu niet meer zo van
overtuigd dat de mensheid de culminatie is van de schepping. Ik
heb teveel menselijke domheid en wreedheid gezien. Maar misschien
zijn wij maar een tussenstadium. Misschien zijn wij een stap op
weg naar de voltooiing van de schepping, naar wezens die machtiger
en wijzer zijn dan wijzelf.
N.: Ik besef nu dat ik vroeger op mijn manier ook
geloofde in een aparte status van de mensheid, of in ieder geval
van de wetenschap. Maar nu denk ik dat we niet beter zijn dan Percival
Lowell indertijd, goedwillende amateurs met een heilig doel voor
ogen.
W.: Klinkt het dom als ik zeg dat ik Percival Lowell
niet ken?
N.: Nou, de Italiaanse astronoom Schiaparelli nam
in 1877 bij het turen naar de planeet Mars door zijn kijker allerlei
rechte lijnen waar. Dat inspireerde de miljonair Percival Lowell
die concludeerde dat er op Mars een geavanceerde beschaving heerste
die in staat was een uitgebreid stelsel van kanalen te bouwen en
te onderhouden. Lowell besteedde vervolgens het grootste deel van
zijn vermogen aan de bouw van een observatorium speciaal voor het
in kaart brengen van die kanalen. Latere waarnemingen toonden aan
dat wat Schiaparelli voor kanalen had aangezien gewoon een willekeurig
patroon van kraters was. Misschien zijn die natuurwetten van ons
ook wel zoiets, een ordening die wij onwillekeurig aanbrengen in
volstrekt chaotische waarnemingen.
W.: Jij denkt nu dat de natuurkunde ons niet een
of andere waarheid onthult? Maar er moet toch een zekere regelmaat
zijn, daarbuiten, en die moet dan toch op de een of andere manier
corresponderen met de regelmaat die wij hebben geschapen in de natuurwetten.
N.: Het is goed mogelijk dat onze wetten met niets
in de natuur overeen komen. Maar we kunnen altijd proberen om de
kanalen van onze natuurwetten zo goed mogelijk te laten samenvallen
met de kraters van de werkelijkheid, zodat, als we ons langs die
kanalen begeven, we in ieder geval meer kraters tegenkomen dan langs
een willekeurige weg.
W.: Als ik jou zo hoor, dan lijkt het alsof de
wetenschap niet meer is dan een collectie vuistregels voor de omgang
met de werkelijkheid.
N.: Overdreven voorgesteld: ja. Maar ik zie het
liever als het zoeken naar de recepten van de werkelijkheid. Wetenschappers
zoeken naar recepten, net zoals veel mensen zoeken naar recepten
voor de sociale omgang. Ze staan nergens zwart op wit, je moet ze
al experimenterend achterhalen. Sommige mensen geloven er echt in
- dat die recepten bestaan, dat ze op alle situaties van toepassing
zijn, dat je er alle problemen mee kunt oplossen. Anderen beschouwen
ze inderdaad als handige vuistregels die een hoop denkwerk kunnen
sparen. En weer anderen vertrouwen liever op hun, sociale of wetenschappelijke,
intuïtie.
W.: Maar als er in werkelijkheid alleen willekeurig
verspreid liggende kraters zijn, als de werkelijkheid niet meer
is dan ruis en totaal geen regelmaat bevat, hoe komt het dan dat
die recepten werken? Hoe komt het dat de natuurkunde voorspellingen
kan doen die uitkomen?
N.: Er is zonder twijfel iets in de werkelijkheid
waar onze natuurwetten bij aanknopen. Dat "iets" manifesteert
zich niet rechtstreeks, maar alleen in zijn effecten. Als wij die
effecten waarnemen concluderen wij tot een achterliggend iets. Maar
of dat iets uit die conclusies overeenkomt met dat iets uit de werkelijkheid,
dat kunnen we niet weten. We spelen wat met de natuur. In onze experimenten
laten we op een beheerste manier iets gebeuren. We starten een proces
of we veranderen iets aan een bepaalde grootheid en kijken wat voor
effect dat heeft. We zien dan andere grootheden van waarde veranderen.
We draaien aan een knop en kijken hoe ver een meter dan uitslaat.
Zo kunnen we onafhankelijke variabelen en afhankelijke variabelen
onderkennen. Daarnaast onderscheiden we bij een experiment nog de
begin- of randwaarden die de beginsituatie of de omstandigheden
bepalen. En tenslotte heb je dan nog de constanten, de grootheden
die niet veranderen tijdens het experiment. Maar al die dingen zijn
slechts buitenkant. We kunnen niet zien welke machientjes van binnenuit
de waargenomen effecten teweeg brengen.
naar boven
Hoe noodzakelijk zijn de natuurwetten?
Nadat de beide vrienden een bocht in de rivier
hebben gerond komen ze op een plek waar de oever begroeid is met
bomen. Aan de rand van een open plek met uitzicht op de rivier staat
een bank waarop ze gaan zitten. Wijnand kijkt zijn voormalige medestudent
bezorgd aan. Nathan retourneert die blik met een geamuseerde uitdrukking
op zijn gezicht.
W.: Heeft het verblijf in het buitenland je zo
veranderd? Hoe komt het dat je voor de tweede maal van je geloof
bent afgevallen? Eerst word je atheïst en dan word je a-fysicalist.
N.: Nou, ik ben nog steeds fysicus. Maar je hebt
gelijk. Ik heb in de Verenigde Staten ervaren dat de natuurkunde
ook een religie kan zijn. Ik heb gezien hoe mensen er hun hele leven
aan kunnen opofferen en hoe dat kan leiden tot een blikvernauwing
die kwalijke gevolgen kan hebben. Denk maar eens aan Edward Teller.
W.: Die atoombomprofeet? De man die kost wat kost
de koude oorlog wou voortzetten en die door wilde gaan met de ontwikkeling
van steeds geavanceerdere kernwapens?
N.: Precies. Ik heb gezien waar fundamentalisme,
ook op dat gebied, toe kan leiden. Maar daarnaast heb ik meegemaakt
hoe natuurkundig onderzoek ook gevestigde overtuigingen kan ondergraven.
De research op het gebied van onder andere de kosmologie heeft ons
de ogen geopend voor de relativiteit van de natuurwetten. Als er
al zoiets bestaat als natuurconstanten en natuurwetten dan zijn
die waarschijnlijk toch maar toeval, en hadden ze net zo goed anders
kunnen zijn.
W.: Dus de natuurkundigen ontdekken een wet die
zegt dat de natuurwetten slechts toeval zijn. Maar wat heb je daaraan?
Ik bedoel, vroeger had je medicijnmannen die zeiden dat de mens
was onderworpen aan het noodlot en dat hij zich maar had te schikken.
Maar daar werd niemand iets wijzer van. Of denken jullie dat je
het noodlot naar je hand kunt zetten?
N.: Wat wil jij dan, een natuurwet die kan voorspellen
dat jij, hier en nu, bestaat? Jij accepteert toch ook dat jouw bestaan
toevallig is? Waarom kun je dat dan niet van het heelal accepteren?
W.: Leslie heeft het over een onvoorstelbaar kleine
kans dat zich leven had kunnen ontwikkelen. Maar het bestaat toch
maar. Kun je dan nog van toeval spreken? Moet je dan niet op zoek
naar een andere oorzaak, naar andere mechanismen achter het ontstaan
van het heelal? Misschien zijn jullie wel helemaal op de verkeerde
weg.
N.: Ja, afhankelijk van welke fysische redenering
je gebruikt kom je tot afwijkingen van kleiner dan 1 op 1040
of 1 op 10100 van de waarden van bepaalde constanten
die al voldoende zouden zijn om het leven totaal onmogelijk te maken.
Maar het is moeilijk om de grootte van die afwijkingen in een kans
te vertalen, zeker als je geen metingen hebt van andere werelden
met andere waarden. En bovendien, hoe groot moet het toeval zijn
om geen toeval meer te zijn? Wanneer kun je zeggen dat iets een
reden moet hebben, ook al ken je die reden niet?
W.: Leslie hanteert de metafoor van de vlieg op
een muur die getroffen wordt door een kogel. Is dat een bijzonder
voorval? Dat hangt ervan af: zat die muur misschien vol met vliegen
of was die vlieg de enige op dat stuk van die muur? Werd die kogel
afgevuurd door een scherpschutter of was het oom Hendrik die normaal
gesproken nog geen schuur kan raken op drie meter afstand? Het schijnt
dat je in dit geval kunt spreken van een enkele vlieg op een groot
stuk muur. Het interval waarover we spreken is wel heel klein en
we kennen geen andere intervallen waarin leven mogelijk is. Dat
zou kunnen betekenen dat er een scherpschutter in het spel is.
N.: Als je een schot afvuurt op een muur wordt
er altijd wel een punt geraakt. Waar het om gaat is dat er precies
op dat ene punt een vlieg zit en dat er verder op die muur geen
vlieg aanwezig was. En je kunt je afvragen of dat toeval was, of
dat het onvermijdelijk was dat die kogel precies die vlieg zou raken.
Oefent die vlieg misschien een onweerstaanbare aantrekkingskracht
op die kogel uit? Wij hebben enkel het simpele feit van die geraakte
vlieg tot onze beschikking. En zonder verdere informatie is elke
verklaring speculatie.
W.: Maar is dat niet erg onbevredigend, wetenschappelijk
gezien?
N.: Ja, tenzij je dat toeval kunt voorspellen of
tenzij je, zoals je zegt, een andere verklaring hebt. De waarden
van de constanten kunnen misschien niet anders zijn dan ze zijn,
omdat dat is vastgelegd in natuurwetten die we nog niet kennen.
Maar hoe bepaal je of een bepaalde combinatie van waarden noodzakelijk
is of contingent, als je maar één zo'n combinatie
kent? In de jaren twintig heeft Eddington redenen proberen te vinden
voor de in zijn ogen schijnbare coïncidenties, door tal van
dimensieloze getallen te berekenen op basis van de bekende constanten
en daarbij te zoeken naar regelmatigheden. Dat heeft echter niets
opgeleverd. De hedendaagse fysici kijken wat laatdunkend op dat
onderzoek neer, niemand zou zich er nu nog aan wagen. Men accepteert
tegenwoordig liever dat toeval als verklaring. Per slot van rekening
kunnen bij een trekking uit een kansverdeling ook onwaarschijnlijke
waarden tevoorschijn komen. Maar het blijft voor een fysicus natuurlijk
onbevredigend als hij niet precies kan aangeven waarom iets is zoals
het is.
W.: Een theorie die onafhankelijk van toevallige
omstandigheden precies de bekende waarden van de constanten oplevert
is natuurlijk superieur aan een theorie die ze willekeurig laat
zijn.
N.: Ja, maar hoe zou die theorie er dan uit moeten
zien? Aan welke orde en regelmaat zouden de natuurconstanten zich
moeten onderwerpen? De wetten die de constanten hun waarden voorschrijven
moeten een soort hogere orde wetten zijn, waar zelfs de oerexplosie
aan zou moeten voldoen. Volgens de gangbare opvattingen zijn de
waarden van de constanten ontstaan bij symmetriebrekingen die optraden
toen het heelal afkoelde. Men veronderstelt, met andere woorden,
dat er na de oerknal verschillende faseovergangen zijn geweest waarbij
telkens nieuwe natuurkrachten naar voren kwamen. Naarmate het heelal
verder afkoelde konden verschillende natuurkrachten aan bod komen,
net zoals tijdens de afkoeling van waterdamp de dampmoleculen onder
invloed van de waterstofbindingen eerst samenklonteren tot water
dat dan bij verdere afkoeling stolt tot ijs. Zulke overgangen zijn
chaotisch. Een toevallige situatie die bestaat op het moment van
de overgang wordt bevroren en bepaalt vanaf dat moment de verdere
gang van zaken. Maar als de waarden van de constanten noodzakelijk
zijn moeten die symmetriebrekingen precies die waarden hebben opgeleverd
die in die hogere orde wetten zijn voorgeschreven en geen andere.
W.: Is er dan geen ander mechanisme te bedenken?
Ben je niet vrij in de keuze van je theorieën?
N.: Het gaat er niet om een pakkend verhaal te
bedenken dat alle bekende feiten verklaart. Een theorie moet voldoen
aan formele eisen van welgevormdheid en mag geen innerlijke tegenspraken
bevatten. Als natuurkundige bedien je je van de wiskunde en dat
blijkt te werken. Zo worden mechanische verschijnselen meestal uitgedrukt
in differentiaalvergelijkingen. En die stellen ons in staat om de
werkelijkheid na te spelen, bijvoorbeeld door middel van computers.
Een grote computer heeft een behoorlijke tijd nodig om bepaalde
golf- of stromingsverschijnselen in een vloeistof te berekenen.
Maar denk jij dat er in een werkelijke golf in zee kleine computertjes
zitten die berekenen welke kant de moleculen opmoeten?
W.: Toch is het niet zo dat die moleculen zomaar
wat doen. Er heerst een zekere orde in zo'n golf, hoe wild die ook
tekeer gaat. En ik zie overal orde om me heen. Heel de wereld is
opgebouwd uit slechts 92 elementen. Die elementen zijn gerangschikt
volgens een regelmatig schema en opgebouwd met behulp van slechts
drie soorten deeltjes. Vaste stoffen nemen vaak zeer regelmatige
kristalvormen aan. De planeten in het zonnestelsel volgen hun baantjes
met de precisie van een uurwerk. En dan heb ik het nog niet over
de veelheid van levensvormen. Als het heelal op pure willekeur is
gebaseerd, waarom bestaat het dan niet uit een diffuse wolk ongedifferentieerde
materie?
N.: En wie zegt dat die ordening geen toeval is?
Waarom geen 91 elementen in de natuur in plaats van 92, waarom geen
4 elementaire deeltjes? En waarom hebben die constanten nou net
die waarden? Ik weet het niet, en als ik het niet weet dan ga ik
niet zomaar wat verzinnen.
W.: Je kunt toch parallellen trekken. Neem nou
de biologische evolutie. Die heeft uiteindelijk toch ons voortgebracht.
De regelmatigheden in de biologie zijn een resultaat van een langdurig
proces van mutatie, overerving en selectie. De biosfeer is een zeer
efficiënte machine die is ontstaan op basis van puur toeval.
N.: Maar de biologische natuur werkt heel verkwistend.
Om één eicel te bevruchten worden miljoenen zaadcellen
aangemaakt. En van veel diersoorten bereikt maar een kleine fractie
de volwassen leeftijd. De rest valt ten offer aan roofdieren of
ziekten. Als dat niet zo was dan was al lang de hele biomassa in
kikkers omgezet, om maar wat te noemen. Die kleine fractie overlevenden
is voldoende om de soort in stand te houden. Wat de biologie betreft
zit dus die hele muur stampvol met vliegen en is ome Hendrik degene
die het schot afvuurt.
naar boven
Veel werelden.
Nathan heeft wat steentjes van de grond opgeraapt
en gooit die een voor een in de rivier. Wijnand heeft zich helemaal
naar Nathan toegekeerd en zit heftig gesticulerend te betogen. Beiden
hebben nauwelijks belangstelling voor de omgeving, voor de vogels
die zingen in de bomen, voor de weelderige begroeiing en voor het
vriendelijke zonnetje dat in hun gezicht schijnt.
W.: Zou het zelfde niet kunnen gelden voor heelals?
Zou het niet ook mogelijk zijn dat er talloze heelals zijn, misschien
wel oneindig veel, in alle mogelijke variaties, en dat daarvan maar
een heel kleine fractie leven bevat? Volgens het Aristotelische
principe van de plenitude moet iedere potentie zich ooit ergens
realiseren.
N.: Als die andere heelals totaal andere natuurwetten
kunnen hebben dan de onze, moeten ze fysisch gescheiden zijn van
ons heelal. Een heelal dat in ruimte en tijd buiten het onze ligt
is voor ons volstrekt ontoegankelijk. We zouden er nooit mee in
contact kunnen treden, we kunnen het op geen enkele manier waarnemen.
We kunnen dus niet weten hoe het er uit ziet, we kunnen zelfs op
geen enkele manier nagaan of het er is, dus die veronderstelling
is nooit te toetsen.
W.: Maar de stelling dat er andere heelals zijn
zou logisch noodzakelijk kunnen zijn. Het zou de consequentie kunnen
zijn van aannamen die we moeten doen om de wereld die we kennen
te begrijpen. Als alle logische alternatieven onmogelijk zijn moet
de stelling waar zijn.
N.: Ja, maar ik denk dat er best een aantal alternatieven
te bedenken zijn die net zo ontoetsbaar zijn. De schepper, bijvoorbeeld.
W.: Wat heb je nou liever, geen theorie of een
aantal alternatieve theorieën tegelijk?
N.: Nou, als ik een aantal theorieën tegelijk
heb, dan wil ik ook graag een manier hebben om er de beste uit te
kiezen, ook al kan ik misschien op dit moment die keuze nog niet
maken. En als dat niet empirisch kan, hoe dan wel?
W.: Dan moet je andere criteria aanleggen dan verifieerbaarheid,
bijvoorbeeld eenvoud of algemene toepasbaarheid. Maar dat zal wel
heel wat discussies gaan opleveren in de fysische gemeenschap.
N.: Ik denk dat dat wel meevalt. Ik denk dat veel
fysici gewend zijn om objectieve maatstaven aan te leggen en daar
ook mee doorgaan, al zullen het dan misschien geen empirische maatstaven
meer zijn. Het lijkt me niet zo moeilijk om een rationele keuze
te maken tussen objectieve criteria. Maar wat voor keuze in theorieën
hadden we ook al weer?
W.: Met betrekking tot het ontstaan van de natuurwetten zoals
wij die kennen hebben wij nu de stellingen dat ze noodzakelijk zo
zijn als ze zijn (maar we weten niet waarom), dat ze door God geschapen
zijn, dat ze één instantie zijn uit vele en dat ze
weliswaar uniek zijn maar puur op toeval berusten.
N.: Een instrumentalist zou zeggen: behoud ze alle,
en gebruik in iedere situatie diegene die het beste resultaat oplevert
of het gemakkelijkst te hanteren is. Maar er zijn inderdaad criteria
die je kunt gebruiken om een keuze te maken tussen theorieën.
Natuurkundigen zijn vooral gecharmeerd van het scheermes van Ockham,
of het principe van zuinigheid zoals het bij Aristoteles heet. Op
basis van dat principe verwerpt Hawking het idee van de vele heelals.
Voor hem is dat niet alleen ontoetsbaar maar ook onnodig. Al die
andere heelals hebben fysisch geen betekenis, dus mogen ze ook geen
rol spelen in de theorie, volgens hem.
W.: En zijn alle natuurkundigen het daarmee eens?
N.: Nee, er zijn diverse fysische veel-werelden-theorieën.
Zo is er de chaotische inflatietheorie van Linde, die zegt dat het
universum uit vele "bellen" bestaat, een soort schuim
dus, met in elke bel eigen lage-energiewetten. Dat zijn dus geen
afzonderlijke heelals, ze hebben dingen gemeenschappelijk, zoals
de hoge-energiewetten, de wetten die in een vroeg stadium van expansie
gelden. Maar de wetten die zich pas in een later stadium manifesteren
kunnen in iedere bel verschillen. In Lindes heelal zijn de hoge-energiewetten
dus noodzakelijker dan de lage-energiewetten.
W.: Maar dan kunnen die bellen van Linde dus de
zelfde rol spelen als al die afzonderlijke heelals en is ons heelal
dus een trekking uit een grote verzameling verschillende deel-universa.
En het feit dat wij de dingen waarnemen die we waarnemen, kan worden
toegeschreven aan het selectie-effect van onze aanwezigheid. In
veel van die andere bellen zouden we niet kunnen bestaan, die kunnen
we dus ook niet waarnemen. Dat wij dit heelal kennen komt omdat
we er kunnen bestaan. En dat we er kunnen bestaan, komt omdat het
de eigenschappen heeft die leven mogelijk maakt.
N.: Dat is in feite wat men het zwakke antropische
principe noemt. Maar het is moeilijk om meer zekerheid te krijgen
over Lindes theorie. Aan de ene kant is zij nog lang niet volledig
uitgewerkt. En aan de andere kant is er vooralsnog niet aan te geven
op welke manier zij geverifieerd of gefalsifieerd zou kunnen worden.
Het is heel goed mogelijk dat we theorieën als deze nooit echt
op de proef kunnen stellen.
W.: Moeten we altijd maar blijven wachten tot de
fysici hun werk gedaan hebben? Mogen we niet een beetje speculeren?
Mogen we niet proberen parallellen te trekken met situaties in het
verleden die op deze situatie lijken? Mogen we niet proberen om
ideeën te ontwikkelen op basis van analogieën en metaforen?
Of mogen we alleen toekijken hoe de fysici hun werk doen en moeten
we het ontwikkelen van theorieën maar volledig aan hen overlaten?
N.: Ik denk dat jullie filosofen in deze een belangrijke
taak hebben, namelijk je bezinnen op wat het is dat wetenschappers
doen. Ik denk dat wetenschap te belangrijk is om uitsluitend aan
de wetenschappers over te laten. En het analyseren van wetenschappelijke
methoden en uitgangspunten is iets dat buiten het bereik van de
wetenschap zelf ligt. Maar het speculeren over niet-bestaande theorieën
kun je beter aan de fysici zelf overlaten. Zij zelf weten het best
hoe een fysische theorie eruitziet. En ze hebben, door kennis van
de literatuur en door contacten met collega's, een beter inzicht
in wat er leeft in de wereld van de fysica.
W.: OK, maar hoe komen die fysici dan op nieuwe
ideeën, waar halen ze hun inspiratie vandaan?
N.: Het ligt voor de hand dat fysici zich bij het
ontwikkelen van nieuwe theorieën laten inspireren door bestaande
fysische theorieën. Neem nu het "sum over histories"
model van Feynman. Dat is een generalisatie van kwantummechanische
concepten zodanig dat ze van toepassing zijn op het hele heelal,
dat wil zeggen op de hele vierdimensionale ruimtetijd.
W.: Ik dacht dat de kwantummechanica alleen van
toepassing was in de microwereld, op interacties van fotonen, elektronen
en andere elementaire deeltjes.
N.: De kwantumtheorie heeft ook macroscopische
consequenties. Het feit dat deeltjes zich als golven kunnen gedragen
betekent dat ze onderling kunnen interfereren. Ze kunnen elkaar
plaatselijk versterken of opheffen. En dat kan aanleiding geven
tot interferentiepatronen die met het blote oog zichtbaar zijn.
Nou is een van de merkwaardige ontdekkingen op dat gebied dat dat
interferentiegedrag blijft doorgaan, ook als er maar één
deeltje in het spel is en er dus niets anders is waarmee dat deeltje
kan interfereren. Voor theoretici als David Deutsch is dat reden
om te geloven in het bestaan van vele parallelle werelden. Of liever
in een zeer groot aantal parallelle deelwereldjes, snapshots in
ruimte en tijd. In een aantal van die parallelle werelden vinden
ongeveer de zelfde gebeurtenissen plaats als in de wereld die wij
kennen. Daar zijn dus deeltjes die min of meer de zelfde banen volgen
als de deeltjes in onze wereld. En het zijn die deeltjes die samen
met het deeltje in deze wereld voor het interferentiepatroon zorgen.
W.: Dus nog een alternatieve veel-werelden-theorie.
N.: Precies, en Feynman heeft die theorie gegeneraliseerd,
zodanig dat die niet alleen betrekking heeft op deeltjes die op
kleine schaal interfereren, maar op hele universa. Ken je het gedachte-experiment
van Schrödinger?
W.: Dat nogal morbide verhaal over die kat die
opgesloten zit in een koffer met een cyaanpatroon die wel of niet
openbreekt en het beest doodt?
N.: Precies. Het idee daarachter is dat een waarneming
in de kwantumtheorie eigenlijk een trekking is uit een waarschijnlijkheidsverdeling.
Die waarschijnlijkheidsverdeling wordt bepaald door de golffunctie
die met het waargenomen object overeen komt. In het geval van die
kat omvat de waarschijnlijkheidsverdeling twee toestanden: de kat
is dood en de kat is niet dood. Maar zolang we geen waarneming hebben
gedaan, zolang we nog niet in die koffer hebben gekeken, is er geen
trekking uit die verdeling gedaan en verkeert de kat dus in een
superpositie van die twee toestanden. Pas door de waarneming zou
de kat definitief in de ene of de andere toestand komen te verkeren.
W.: Wil je zeggen dat ons heelal zo iets is als
die kat van Schrödinger? Dat het oorspronkelijk in een superpositie
van toestanden verkeerde?
N.: Feynman heeft het over de golffunctie van het
hele heelal, waar bovendien heden, verleden en toekomst in zitten
opgesloten. In zijn model is ons heelal een trekking uit een kansverdeling
die alle mogelijke heelals over alle mogelijke tijden omvat. Ons
heelal is dus een waarneming. En aangezien je geen waarnemingen
kunt hebben zonder waarnemers moet die trekking dus zodanig zijn
dat ze waarnemers mogelijk maakt.
W.: Ik kan me daarbij iets voorstellen zolang je
het over elementaire deeltjes hebt waar je metingen aan doet. Maar
als je het op het hele universum gaat betrekken begint het absurdistische
trekjes te vertonen. Wil je zeggen dat het heelal niet anders had
kunnen zijn dan het is omdat er anders geen waarnemers zouden zijn
om het waar te nemen? Met andere woorden, het heeft ons moeten creëren
om de meting te doen die het van een toestand van potentie in een
toestand van actualiteit bracht? Maar dan bepaalt het doel dus de
middelen. Dan is dat is een puur teleologische theorie.
N.: Ja, in die interpretatie zouden de constanten
en de natuurwetten noodzakelijk zo moeten zijn als ze zijn. Dat
zou overeenkomen met een sterk antropisch principe. Maar ik hou
me liever bij de veel-werelden interpretatie van de kwantummechanica,
waarbij er niet slechts één actualiteit is. In sommige
van die vele werelden kunnen mensen bestaan, in vele andere niet.
Het ligt voor de hand dat wij een wereld waarnemen waarin wij zelf
kunnen bestaan. Maar dat sluit niet uit dat er nog vele andere zijn.
naar boven
Teleologie.
Af en toe passeren er mensen de bank waar de beide
vrienden opzitten en kijken naar hen. Maar Nathan en Wijnand kijken
dwars door de passanten heen. Nathan heeft met een stok een aantal
rondjes op de grond getekend die verschillende werelden moeten voorstellen.
Tussen die rondjes tekende hij eerst strepen loodrecht op de denkbeeldige
verbindingslijnen tussen de werelden, die de scheiding ertussen
moesten aanduiden. Later werden die strepen doorkruist door verbindingslijnen
die de overgangen tussen werelden aangaven.
W.: Naast de metafoor van de vliegen op de muur
hanteert Leslie veelvuldig nog een ander voorbeeld, namelijk dat
van een kledingverkoper die iemand een zijden blouse probeert aan
te smeren. Terwijl hij de blouse aan de aspirant-koper toont houdt
hij zijn duim op de kraag. Nou moet die duim natuurlijk ergens blijven,
maar de klant vermoedt dat de verkoper iets probeert te verbergen
en vraagt hem zijn duim te verplaatsen. De klant doet dat omdat
hij een reden kan bedenken dat die duim zich daar bevindt, namelijk
de hebzucht van de verkoper die een beschadigd kledingstuk voor
de volle prijs probeert te verkopen, en de mogelijkheid van een
gat in de kraag. De klant vermoedt dus dat die duim zich niet zomaar
op die plek bevindt, maar dat dat een doel heeft.
N.: Ja, we moeten er voortdurend op bedacht zijn
dat dingen niet zomaar gebeuren. Je moet overal oorzaken voor zoeken.
W.: Niet alleen oorzaken. Er kunnen ook verborgen
doelen een rol spelen. De reden dat dingen gebeuren kan zijn dat
ze zo bijdragen aan de realisatie van een bepaald doel.
N.: OK, maar op mij als fysicus rust nog steeds
de plicht om het mechanisme aan te geven waarmee dat doel zichzelf
kan realiseren. Hoe kan een bepaalde gewenste uitkomst de gang van
zaken die ertoe leidt beïnvloeden?
W.: Er zijn verschillende soorten verklaringen
mogelijk. Natuurkundigen concentreren zich vooral op causale verklaringen
en verklaringen vanuit de eigenschappen van de materie. Dat zijn
wat Aristoteles werkoorzaak en substantie noemt. De vraag is of
je er met causale verklaringen alleen wel komt. Aristoteles onderscheidt
ook nog de doeloorzaak, 'Causa finalis', en de vorm als oorzaak.
Als ik weet dat iets gemaakt is met een bepaald doel kan ik van
daaruit de werking verklaren, dus teleologie toepassen. En als ik
constateer dat ergens een bepaalde orde heerst kan ik mij afvragen
welke planmatigheid aan die orde ten grondslag ligt, dus toepassen
wat Barrow en Tipler 'eutaxiologie' noemen. Als filosoof heb ik
dus meer mogelijkheden om naar verklaringen te zoeken. Ik zou bijvoorbeeld
de mogelijkheid van een schepper niet willen uitsluiten. En een
schepper impliceert een doel.
N.: Laten we God er pas in laatste instantie bijhalen.
De oude Grieken begonnen zich ook pas wetenschappelijk te ontwikkelen
toen ze besloten de goden de goden te laten en te proberen na te
gaan hoe ver ze konden komen door op hun eigen intellect te vertrouwen.
Als het heelal een doel heeft, wat zou dat dan moeten zijn? Heeft
het tot doel om ons voort te brengen? Maar we hebben eerder al vastgesteld
dat ons eigen onderzoek ons steeds verder buiten het centrum heeft
geplaatst.
W.: Misschien gaat het niet om ons. Misschien dienen
wij een hoger doel. Het is mogelijk dat het heelal streeft naar
een beter functioneren in een of ander opzicht. En misschien is
het ontstaan van intelligentie, in welke vorm dan ook, daarvoor
noodzakelijk. Volgens Teilhard de Chardin leidt de evolutie uiteindelijk
naar een vorm van volmaaktheid, naar wat hij noemt "het punt
omega". Maar Teilhard was natuurlijk katholiek en jezuïet.
N.: Maar hoe kan het heelal dan streven naar een
vorm van intelligentie? Hoe heeft ons bestaan op dit moment het
ontstaan van het heelal in een ver verleden kunnen beïnvloeden?
W.: Is het mogelijk dat een systeem dat door "puur
toeval" ontstaat zichzelf in stand houdt? Dat het ontstaan ervan
contingent is, maar het voortbestaan noodzakelijk? Dat er bij het
totstandkomen van de wetten waaraan het systeem is onderworpen is
geselecteerd op zelfbehoud? De wetten van de biologie komen voort
uit zo'n selectie, waarom die van de natuurkunde niet ook? Natuurlijk
zijn de natuurwetten niet in de loop van miljoenen jaren ontstaan
maar in een zeer kleine fractie van een seconde. Maar in die tijd
kan ook een selectie op zelfbehoud hebben plaatsgehad, een selectie
die vervolgens is "bevroren" in de wetten zoals wij die kennen.
N.: Ja, een explosie is ook iets dat niet zichzelf
veroorzaakt maar wel zichzelf in stand houdt. Het is een autokatalytisch
verschijnsel. Maar er is een groot verschil tussen een explosie
en een symmetriebreking die miljarden jaren later leidt tot het
ontstaan van intelligent leven.
W.: Teleologische verklaringen werken in ieder
geval heel goed in de biologie. Bepaalde organen hebben de vorm
en de samenstelling die ze hebben omdat ze een bepaalde functie
moeten vervullen. Het hart moet bloed rondpompen en is daarom een
holle spier met kleppen. Het oog moet beelden kunnen opvangen en
is daarom doorzichtig van binnen. Die vormen en samenstellingen
zijn tijdens de evolutie ontstaan om die functie mogelijk te maken.
Door variatie, overerving en selectie zijn er organen ontstaan die
steeds beter hun functie kunnen vervullen. Hume heeft al op grond
van het Aristotelische principe van de plenitude gesuggereerd dat
er een oneindige opeenvolging van heelals zou zijn, elk met de zelfde
bouwstenen, en dat de stabiele configuraties van die eindige elementen
zichzelf uitselecteren. Zou ons heelal niet het resultaat kunnen
zijn van een evolutionair proces? Of desnoods een toevalstreffer
na vele missers?
N.: Ja, dat is iets wat Lee Smolin ook al heeft
gesuggereerd. Maar ook al is dit heelal op de een of andere manier
uitgeselecteerd, dan nog zie ik niet hoe er een selectie van heelals
heeft kunnen plaatsvinden op grond van het bestaan van intelligentie
erin. Hoe kan de mogelijkheid tot het ontstaan van intelligentie
de begincondities van een heelal beïnvloeden? Of zou het bestaan
van intelligentie de levensduur van een heelal kunnen vergroten?
Vooralsnog is er geen kijk op dat wij daartoe in staat zijn, eerder
het tegendeel.
W.: Kent de natuurkunde dan alleen maar causale
verklaringen waarbij de oorzaak aan het gevolg vooraf gaat?
N.: Nee, zij kent ook verklaringen die geen oorzaak
nodig hebben. Hawking en Hartle hebben aangetoond dat onder bepaalde
veronderstellingen Feynmans model geen begin kent. Het verleden
van het heelal is dan eindig maar niet begrensd. En, claimt Hawking,
als er geen begin is, is er ook geen oorzaak en dus zeker geen schepper
die voor dat begin verantwoordelijk is.
W.: Maar betekent het feit dat je geen specifiek
beginpunt kunt aanwijzen ook dat er geen verklaring nodig is voor
het bestaan van het heelal? Je zult toch ook moeten toegeven dat
het zeer onbevredigend is om te constateren dat het heelal met al
zijn uitgestrektheid en al zijn complexiteit bestaat, maar dat daar
geen reden voor te geven is. Ik zou zeggen: een theorie met redenen
is fraaier dan een theorie zonder redenen. Als we ervan uitgaan
dat niets zonder reden ontstaat, dan moet er een schepper in het
spel zijn, wie of wat dat ook is. Ex nihilo nihil fit. Als jij zegt
dat je geen schepper nodig hebt dan zeg je ook dat het heelal geen
zin heeft.
naar boven
De schepper.
Wijnand is opgestaan en ijsbeert heen en weer.
Na enige tijd staat Nathan ook op, wacht tot Wijnand de kant opijsbeert
waar ze naar op weg waren voor ze gingen zitten, en loopt met hem
mee. Zo wandelen ze verder en verlaten het bosje.
N.: Ik ben fysicus, geen metafysicus. En als zodanig
heb ik geen plaats voor een God. Het is de taak van fysici om verklaringen
te zoeken met behulp van het menselijk vernuft, en alleen met het
menselijk vernuft, zonder er bovennatuurlijke oorzaken bij te halen.
Filosoferen over zaken die voor de natuurkunde niet toegankelijk
zijn, zoals wat er was vóór de Big Bang of wat er
is buiten het heelal, beschouwen we als zinloos.
W.: Maar het feit dat het domein waarin wij kunnen
bestaan zo klein is, dat moet toch iets betekenen. Wij kunnen alleen
maar bestaan dank zij uiterst nauw begrensde natuurwetten en constanten
en het aantal mogelijke werelden waarin leven en intelligentie niet
mogelijk zijn is meer dan astronomisch groot. Is dat niet een aanwijzing
voor het bestaan van een schepper?
N.: Dat zie ik niet en dat wil ik ook niet zien.
Zolang ik nog natuurlijke redenen voor iets kan bedenken heb ik
geen behoefte aan bovennatuurlijke redenen.
W.: Jawel, maar je bent niet alleen fysicus. Je
hebt een oordeel over vele zaken waar de natuurkunde niets over
zegt. Je kunt als fysicus proberen God buiten je werk te laten en
toch als mens in God geloven.
N.: Misschien, maar ook als mens ben ik agnostisch.
Ik vind het idee van God maar een nodeloze complicatie. Het maakt
de zaken niet duidelijker, integendeel. We weten niet wat God wil.
Wat God betreft kan morgen alles anders zijn. Iedereen kan van alles
over God beweren, het is toch niet te controleren.
W.: Maar de idee van God kan ook dingen verklaren
die niet door andere theorieën worden verklaard. Hoe komt het
dat wij mensen in staat zijn om na te denken over onze eigen oorsprong?
Hoe komt het dat wij over God kunnen filosoferen? Wat is het evolutionaire
voordeel daarvan? Kunnen we daardoor beter functioneren in onze
natuurlijke omgeving? Zijn we daardoor beter in staat ons onze natuurlijke
vijanden van het lijf te houden? Helpt het ons bij het vinden van
voedsel of het verwerven van nageslacht? Ons bewustzijn doet veel
meer dan ons alleen maar in leven houden. Ik geloof dat zo'n bewustzijn,
zo'n intellect, alleen te verklaren is als door God gegeven.
N.: Als wij, zoals wordt beweerd, zijn geschapen
naar Gods beeld en gelijkenis, waarom zijn we dan zo onvolmaakt?
Waarom zijn we dan bezig om onze natuurlijke leefomgeving op grote
schaal te verwoesten? Waarom zijn we nog niet eens in staat om onze
eigen aantallen in de hand te houden, zodat zowel wijzelf als de
natuur daarvan kunnen profiteren? We gebruiken dat bewuste denken
alleen om de dingen te realiseren die onze dierlijke driften ons
ingeven. Ons bezinnen op onze plaats in het heelal en onze rol in
het grotere geheel doen we nauwelijks.
W.: Maar waar zijn jullie fysici dan mee bezig?
Jullie proberen je een beeld van het heelal te verwerven alsof je
het van buiten kunt bekijken. Je abstraheert van je eigen plaats
daarin, je stelt je op buiten tijd en ruimte en doet, in tegenspraak
met al je bescheidenheid, of je het universum in alle dimensies
helemaal kunt overzien. En dan verwijt je mij metafysica.
N.: Maar wat wij doen, doen wij niet op gezag van
profeten die beweren rechtstreeks contact met de schepper te hebben.
Wij proberen de wereld te doorgronden door gebruik te maken van
onze eigen, beperkte, vermogens. Voor mij kan God geen verklaring
zijn omdat je er in principe alles mee kunt verklaren. En daarmee
verklaart de hypothese van zijn bestaan feitelijk niets.
W.: Toch denk ik dat er ook over een schepper zinnige
dingen te zeggen zijn. Ze zijn misschien niet fysisch toetsbaar
maar kunnen wellicht logisch hard gemaakt worden. Enerzijds is er
de vraag: zijn er dingen die zonder een schepper niet te begrijpen
zijn? En anderzijds: als er een schepper bestaat, wat moet hij dan
wel en niet kunnen? Misschien kunnen we zijn vermogens precies afgrenzen.
Leslie veronderstelt een scheppende kracht die gedreven wordt door
ethische noodzaak. God is in die visie een onpersoonlijke creatieve
kracht die dat tot stand brengt wat ethisch vereist is. Het heelal
zoals wij dat kennen zou dan zo totstandgekomen zijn als het is
omdat het zo totstand moest komen.
N.: Hoe moet ik dat dan zien? Kent het heelal naast
ruimte en tijd dan ook nog ethiek? Hoe kunnen we bepalen wat goed
en wat slecht is in zo'n absolute ethiek? Als er niets zou bestaan,
wat zou dan de ethische noodzaak zijn om daar verandering in te
brengen? Is het bestaan van een wereld, welke wereld dan ook, niet
zijn eigen ethische rechtvaardiging? Ik denk dat je het probleem
alleen maar verschuift van het bestaan van een schepper naar het
bestaan van een bovenmenselijke ethiek.
W.: Kunnen we het dan nergens over eens worden?
Jij erkent toch ook dat onze menselijke vermogens om zin te geven
aan de wereld ontoereikend zijn?
N.: Ja, maar dat moet ons niet verleiden tot ijdele
speculatie. Laten we accepteren dat er grenzen zijn aan het menselijk
kenvermogen. Laten we niet blijven zoeken naar absolute waarheden,
maar ons tevreden stellen met het stapje voor stapje verdiepen van
ons menselijk inzicht.
W.: Maar als wetenschapper moet je toch bereid
zijn om je door feiten te laten overtuigen. Welke feiten zouden
nodig zijn om jou in God te laten geloven?
N.: Nou, als er bijvoorbeeld in de vele decimalen
van pi een boodschap verstopt zou zijn, iets in de geest van de
boodschappen die men via radiosignalen naar andere sterrenstelsels
wil sturen, dan wil ik daar eens over gaan denken.
W.: Eigenlijk hoor je je als fysicus helemaal niet
met dingen als het ontstaan van het heelal en andere onherhaalbare
verschijnselen bezig te houden. Je geeft zelf toe dat jullie in
dat verband ook ontoetsbare hypothesen opperen. Is het niet mogelijk
om zowel religieus als natuurwetenschappelijk te zijn? Kun je de
wereld niet verdelen in een deel dat toegankelijk is voor de natuurkunde
en een deel dat alleen via de religie toegankelijk kan worden gemaakt?
N.: Ik denk inderdaad dat ik niet in staat ben
om de hypothese van een schepper te weerleggen. Ik kan fysisch niet
bewijzen dat er geen schepper is. Maar ik kan ook niet Russells
hypothese weerleggen, die stelt dat het heelal vijf minuten geleden
is geschapen, compleet met alles wat zich erin bevindt, inclusief
fossielen, inclusief mijn persoonlijke herinneringen.
naar boven
De kwaliteit van theorieën.
Wijnand brengt zijn rechterhand naar zijn voorhoofd,
maar zijn linker blijft druk bewegen. Zijn houding is die van een
leger op de terugtocht dat aan de ene kant zijn gewonden mee moet
sjouwen en aan de andere kant achtervolgende vijandelijke troepen
van zich af moet houden. Nathan loopt met zijn handen in zijn zakken
en kijkt recht vooruit. Zijn blik zegt: ik wist wel dat het zo zou
lopen.
W.: Dus jij zegt in feite dat wat je denkt over
de wereld, over het heelal, uiteindelijk toch nooit meer kan zijn
dan een persoonlijke overtuiging. Dat we "das Ding an sich"
inderdaad nooit kunnen kennen.
N.: Alle kennis is uiteindelijk niet meer dan overtuiging,
van individuen of van groepen. Maar je kunt wel bepaalde eisen aan
theorieën stellen. John L. Casti stelt dat een theorie tenminste
aan de volgende eisen moet voldoen: Zij moet expliciet zijn, dus
niet ambigu, zij moet publiek zijn, dus toetsbaar voor iedereen,
zij moet betrouwbaar zijn, dus de tand des tijds hebben doorstaan,
en zij moet objectief zijn, dat wil zeggen onafhankelijk van de
onderzoeker. Daarnaast moet een theorie natuurlijk zichzelf niet
tegenspreken, met andere woorden, zij moet consistent zijn. En verder
moet zij natuurlijk ook niet worden tegengesproken door de feiten.
W.: Lijkt me redelijk. En volgens Popper moet je
ook kunnen aangeven met behulp van welk experiment of van welke
voorspelling je kunt beslissen of de theorie ongeldig is.
N.: Maar dat kan in de praktijk problemen opleveren,
zoals we hebben gezien. Sommige hedendaagse theorieën, zoals
de supersnaartheorie, leveren voor zover bekend geen tegenstrijdige
uitspraken op en ook geen uitspraken die strijdig zijn met de bekende
feiten, maar er zijn geen praktisch uitvoerbare experimenten te
bedenken waarmee je ze kunt toetsen, noch kun je er voorspellingen
uit afleiden die op redelijke termijn te verifiëren zijn. En
vooral theorieën die eenmalige verschijnselen trachten te verklaren
kampen natuurlijk met dat probleem.
W.: Goed, laten we nou eens opsommen welke criteria
voor een goede theorie we tijdens dit gesprek zijn tegengekomen.
Jij hebt het scheermes van Ockham genoemd, de stelling dat een theorie
geen onnodige complicaties mag bevatten. En ik heb opgemerkt dat
een theorie die geconstateerde verschijnselen puur toevallig laat
zijn, inferieur is aan een die precieze uitspraken doet over de
verschijnselen waar het om gaat.
N.: Daar moet je mee oppassen. De kwantummechanica
is probabilistisch, gaat dus over toevalsgrootheden, maar is theoretisch
zeer goed onderbouwd en levert zeer betrouwbare voorspellingen op.
De chaostheorie zit mathematisch ook goed in elkaar, is deterministisch,
maar er kunnen geen gedetailleerde voorspellingen mee worden afgeleid.
De uitspraak dat iets niet voorspelbaar is, is een heel precieze
uitspraak. Waar het om gaat is aan de ene kant de wiskundige onderbouwing
en aan de andere kant de empirische toetsbaarheid.
W.: Nou, laten we dan zeggen dat een theorie die
een redelijke zekerheid geeft dat er iets gaat gebeuren te prefereren
is boven een theorie die dat in het onzekere laat.
N.: Vooropgesteld dat die theorie op stevige grondvesten
rust. Ik vind dat een heel belangrijk criterium.
W.: Ja, voor jou is vooral die mathematische onderbouwing
kennelijk erg belangrijk. Als ik het wat gechargeerd mag uitdrukken,
ben je als de formules kloppen er al bijna van overtuigd dat de
theorie klopt.
N.: Ja, maar ik denk dat waar het in laatste instantie
op neerkomt een persoonlijk gevoel is voor wat passend is. En het
gaat kennelijk om een esthetiek, die niet voor iedereen hetzelfde
is. Zo vind ik een heelal dat ontstaat en zich ontwikkelt onder
invloed van zijn eigen wetten bevredigender dan een dat door een
wezen daarbuiten is geschapen en dat door hem voortdurend wordt
bijgestuurd.
W.: En mij spreekt het niet aan als ik niet iets
van de gevoelens en overtuigingen die ik als mens heb erin kan terugvinden.
Het moet toch ergens voor dienen, er moet toch een reden voor zijn.
N.: Hoezeer me dat als fysicus ook spijt, ik denk
dat de ultieme kennis over de totstandkoming, opbouw en samenstelling
van het heelal niet voor ons is weggelegd. Het is moeilijk in te
zien hoe zo'n miniem deeltje van het heelal als wij zijn alle kennis
over het hele heelal zou kunnen bevatten.
W.: Waarom houden jullie je dan met het ontstaan
van het heelal bezig? De theorieën zijn niet afdoende te toetsen,
ze leveren geen nuttige toepassingen op en het onderzoek is zeer
kostbaar in menskracht en apparatuur, zoals satellieten die de kosmische
achtergrondstraling moeten meten.
N.: Nou kan ik natuurlijk zeggen dat dit onderzoek
toch een nuttig effect heeft, in die zin dat het kan dienen ter
verificatie van theorieën die hier en nu van toepassing zijn.
Immers, in de bestudering van de oorsprong van het universum komen
de verbanden tussen de relativiteitstheorie en de kwantumtheorie
duidelijk aan het licht. We hebben daar een soort toetsing van theorieën,
ze mogen elkaar ten aanzien van die oorsprong niet tegenspreken.
Maar het zoeken naar het ontstaan van het heelal kan ons ook iets
leren over onszelf: hoe staan wij in de wereld, hoe werkt ons denken?
En misschien ook: hoe uniek zijn wij, en hoe noodzakelijk?
W.: Ik geloof dat verhalen als het scheppingsverhaal
ons ook iets kunnen leren over onszelf. Doordat wij hebben gegeten
van de vrucht van de boom der kennis zijn wij uit het paradijs verdreven.
Ik denk inderdaad dat ons zoeken naar kennis omtrent de werkelijkheid
ons niet gelukkiger heeft gemaakt. En het scheppingsverhaal is heel
wat menselijker dan die theorieën over de Big Bang. Natuurkunde
werkt heel vervreemdend.
N.: Dat zal dan wel door de wiskundige achtergrond
komen. Maar de natuurkunde heeft ook menselijke aspecten. Naar buiten
toe mag zij een gesloten monolytisch blok lijken, maar voor de insiders
is die samenhang niet zo duidelijk. Niemand kan aangeven wat nu
het gemeenschappelijke is van alle natuurkundige wetten en theorieën.
Het is misschien wel zo dat er weinig natuurkundige controverses
naar buiten treden. Maar dat komt voornamelijk omdat natuurkundigen
meestal niet zulke vechtlustige types zijn als filosofen. En ze
zijn meestal ook niet zo publiciteitsgeil.
W.: Het is moeilijk om in de publiciteit te komen
als niemand begrijpt wat je zegt. Wat dat betreft lijken jullie
wel een geheim genootschap.
N.: Nou, ik heb ooit eens geprobeerd iets van Derrida
te lezen, maar ik ben daar halverwege mee gestopt. Mensen die zoiets
op papier kunnen krijgen mogen de natuurkunde geen ondoorzichtigheid
verwijten. En als er iemand kritiek op hen uitoefent dan zeggen
ze dat die er niets van heeft begrepen.
W.: Zijn jullie dan zoveel beter? Als er een filosoof
zich dan eens verdiept in de werkwijze van de natuurkundigen en
hij constateert dat de hele natuurkunde eigenlijk niet meer is dan
een stel onderlinge afspraken tussen natuurkundigen dan staan jullie
op je achterste benen en roepen om het hardst dat die filosoof er
niets van heeft begrepen.
N.: Maar bij ons worden theorieën tenminste
uitgebreid door collega's onderzocht. Natuurkunde werkt zonder aanzien
des persoons. Alle uitspraken van natuurkundigen mogen door andere
natuurkundigen worden becommentarieerd.
W.: Maar dan moet je wel eerst in het genootschap
zijn opgenomen. En voor het zover is moet je eerst tenminste acht
jaar fysische indoctrinatie ondergaan.
De vrienden zijn heftig discussiërend een
vriendelijk ogend etablissement genaderd en constateren dat hun
keel van al het praten aardig droog is geworden. Dus begeven ze
zich naar binnen. Het is al donker als ze enigszins struikelend
en strompelend weer naar buiten komen. Met de armen om elkaars schouders
beginnen ze aan de terugweg, begeleid door een vrolijk lied, of
twee vrolijke liederen door elkaar, of ... Zijn het eigenlijk wel
liederen? Als ze zo'n vijftig meter hebben afgelegd stopt Wijnand
zijn gezang en merkt met enigszins onvaste stem op:
W.: Alle verschillen van mening lossen op in een
goeie pint.
N.: Ja, het is weer net als vroeger.
Pim Lemmens,
6 januari 1999
|